2014

Na jaren plannen en het treffen van (financiële) voorbereidingen is het dan zover: wederom wordt de molen “De Grauwe Beer” in zijn geheel verplaatst, nu naar het hoger gelegen deel van het molen perceel, ongeveer 60 meter in oostelijke richting.  Hierdoor komt hij zo’n 1.30 meter hoger te staan zodat hij geen last meer zou mogen hebben eventuele maar ook te verwachten overstromingen in de toekomst. In de onderbouw is nu een verblijfsruimte annex molenwinkel ingericht, een werkplaats en een aparte machinekamer.
Saillant detail, precies 400 jaar na de bouw in 1614 is dit alweer de derde verplaatsing. Wie had dat ooit voor mogelijk gehouden?

2014

2011

En alweer treedt de Maas buiten haar oevers en staat de benedenbouw blank. Gelukkig konden de molenaars ook nu weer alle spullen van beneden tijdig in veiligheid brengen.

2003

Opnieuw komt de Maas uit en kan de molen niet zonder natte voeten te krijgen worden bereikt! Dit gegeven was mede aanleiding voor de eigenaar (Gemeente Beesel), na te denken over hoe om te gaan met toekomstige overstromingen en leidde al snel tot plannen de molen te verplaatsen naar hogere grond.

2003

1996

De molen gaat in eigendom over naar de Gemeente Beesel. Tevens wordt een Beheerstichting in het leven geroepen die belast is met de dagelijkse gang van zaken de molen en vrijwilligers betreffende.

1993

1993 en 1995

Hoog water, wederom! Gelukkig kan voorkomen worden dat half Beesel onderwater komt te staan.De hoogste stand in de molen: 120cm!!! Dat “mooder Maas” zich niet van haar beste kant liet zien, spreekt voor zich.
Nog geen jaar na de opening (1984) moest de Grauwe Beer reeds ervaren dat “mooder maas” niet met zich laat spotten en stond er al 40 cm water in de onderbouw. van de molen.

1993

1990

1990/1992

In de molen zijn geen nutsvoorzieningen aanwezig en dat bracht de molenaars op het idee een dieselmotor aan te schaffen voor het opwekken van elektriciteit. Zij wisten uiteindelijk de hand te leggen op een 20 PK motor van het fabricaat Thomassen, jaargang 1930, productienummer 2500, geheel compleet met drukketel. Nadat een aanbouw als machinekamer was gerealiseerd kon de motor geplaatst worden en operationeel worden gemaakt.

1982

1982/1983

Op 8 oktober 1983 is het dan zover. Met enig feest vertoon en muziek, en onder grote publieke belangstelling wordt, nadat de molen is ingezegend door pastoor v.d Asdonk, door de voorzitter van de Vereniging De Hollandsche Molen Dr. Ir. R. van de Waal bij een prachtige maalwind voor het eerst sinds vele jaren de vang gelicht, waarna het gevlucht, onder het spelen van het Limburgs Volkslied door Joekskapel Hoëge Noëdt, al snel in beweging komt. 

1982

1981

De sloop van korenmolen De Grauwe Beer neemt zijn aanvang.

1974

Advocaat Mr J.L.J Derckx uit Beesel, koopt de molen, in zeer slechte staat van onderhoud overigens, van Fa. Cuypers en kort nadien wordt een restauratieproject in gang gezet. Overigens; van de eerder genoemde maalderij-inrichting, incl motoren was niets meer in de molen terug te vinden.

Overleg vindt plaats met Gemeente, Provincie, Rijksdienst voor de Monumentenzorg, aannemer en molenmaker Beijk uit Afferden.
Echter het duurt even voordat alle problemen m.b.t. subsidies zijn opgelost en uiteindelijk krijgt men groen licht. De restauratie kan beginnen. Niet aan de Antoniusstraat evenwel. Door de reeds eerder ondervonden windbelemmering enerzijds en het gegeven dat in de directe nabijheid van  molen woningbouw gepland was, werd op voordracht van de RDMZ verplaatsing van de molen in het restauratieplan meegenomen. Een nieuwe plek werd gevonden aan de oever van de Maas aan de Kerkeveldweg. Overstromingsrisico?  Aanvaardbaar: 1x in de 250 jaar! Prachtige locatie en super molenbiotoop!

1974

1945

1945/1953

Nu er niet meer met de wind gemalen kon worden werd er een elektromotor in de machinekamer geplaatst ter vervanging van de oude oliemotor. Uiteindelijk werd besloten de molen te laten restaureren. Eerst in december 1952 was het zover dat de molen weer met enig feest vertoon en gepaste trots in bedrijf kon worden gesteld na te zijn ingezegend door Meneer Pastoor Gerris. Helaas functioneerde de molen niet naar behoren en in september 1953, nog geen jaar na de ingebruikstelling, werd door de eigenaren een hinderwetvergunning aangevraagd om een maalderij (hamermolen) op te richten met een elektromotor van 20 PK en een van 25 PK. Hiertoe werd naast de machinekamer een kelder gegraven om daarin de hamermolen te kunnen plaatsen.

1940

1940/1945

Tijdens de tweede wereldoorlog gebruikte men in vele plaatsen in Nederland het gevlucht van een molen om middels de standen van het wiekenkruis aan te geven dat de Duitsers iets van plan waren zoals aanstaande razzia’s ect. Ook dienden molens als ideale uitkijkpost.  Op het einde van de oorlog lag Beesel in de frontlinie; de Duitsers op de oost-, de geallieerden op de westoever van de Maas. Tijdens hevige beschietingen werd de kap van de molen door Engels geschut vol geraakt. De molen raakte zwaar beschadigd, kon niet meer malen en was de bezetter tevens een uitkijkpunt kwijt.

1940

1930

1930

Tijdens een zeer zware westerstorm in november liep de molen schade op. Bij het uit de wind kruien braken de houten roeden af. Gelukkig raakte daarbij niemand gewond. De Gebr. Cuypers, Bèr en Sef maakten van die gelegenheid gebruik de roeden te vervangen door ijzeren.

1926

1926

De molenaar (Bèr) ontkwam er niet aan om over te gaan op motorkracht, mede veroorzaakt door het feit dat de molen alleen goed kon malen als er zuidwesten- of westen wind stond. Bij andere windrichtingen ondervond de molen te veel hinder als gevolg van huizenbouw! (Ook toen al problemen door slechte biotoop!). In juni werd in de belt een machinale maalderij ingericht in een daartoe opgetrokken gebouwtje met ernaast een toilet. Vervolgens werd in er een maalstoel en een ruwoliemotor van het merk “Kromhout” geplaatst met een vermogen van 20/22 PK. Later wordt er ook nog een centrifugaal buil geplaatst om boekweitmeel te zeven

1926

1920

1920

Na dood van Hein Cuypers nemen de kinderen Johannes, Petrus en Hendricus de molen van hem over en gaat het molenbedrijf verder onder de naam Gebr. Cuypers

1890

1890/1892

Reeds in 1890 had Hein Cuypers uit Beesel de moed opgevat en kocht hij de molenromp om naar Beesel te laten overbrengen. Aldus wordt deze kort daarna op de Kleine Solberg (Antoniusstraat) opgebouwd als beltmolen en in plaats van het oorspronkelijke riet, bekleed met “pappendeck”, een soort dakvilt met bitumen.

Zie ook elders het gedicht van W. Buijs Pzn. waarin de molen zijn leven aan de Zaan beschrijft: “Overdenkingen van de molen “De Grauwe Beer” en een hartelijk vaarwel aan de Zaanstreek en Zaandam bij zijn smartelijke verbanning naar Limburg”.

De molen werd tot op de zaagschuur, zijnde stellinghoogte, afgebroken en over water naar het Limburgse Beesel vervoerd. Deze schuren dienden nadien een houthandel en later oliefactorij Pieter Bon CZ. In de 20-tiger jaren van de 20 ’eeuw werden ook die afgebroken.

Heinrich Cuypers voornoemd was tijdens zijn leven bierbrouwer en tevens boer van beroep en nu dus molenaar/moleneigenaar! Drie beroepen derhalve en in de volksmond werd hij dan ook “d’n driedubbele” genoemd. (Hein had een groot gezin en telde maar liefst 11 kinderen! Vandaar?).

Nu de molen werd ingericht als korenmolen, betekende dit dat het een en ander veranderd moest worden, zo moesten er extra zolders worden aangebracht. Op de steenzolder werden 2 maalkoppels geplaatst, 1 koppel 17der stenen met een regulateur. 1 koppel 15der stenen om te gebruiken als er minder wind was.

De lengte van het gevlucht bedroeg nog geen 22 meter en de overbrengverhoudingen van het gaande werk was in verhouding tot de lengte van het gevlucht te groot voor de in Limburg veelvuldig voorkomende windsnelheden. De molen liep zwaar en had veel wind nodig en liep onregelmatig! Verder behield de molen wel zijn unieke stutvang, een voor Limburg ongebruikelijke variant op de hier alom toegepaste Vlaamse vang.

Zie ook: https://www.molendatabase.nl/nederland/molen.php?nummer=400

1890

1889

1889

Het werk van de houtzaagmolens wordt overgenomen door de stoommachines.

1834

1834

Op 11 juni 1834 werd de molen door de bliksem getroffen, er ontstond geen brand, maar een van zijn roeden werd verbrijzeld. De laatste eigenaar van de Grauwe Beer was Jan van Lijnen Noomen die vooral iepen stammen met de molen zaagde.

1834

1791

1791

Pas na het overlijden van Cornelis Sijbrants in 1791 komt de molen in andere handen. In de genoteerde boedel van Sijbrants wordt de molen als volgt beschreven: ”Een houtzaagmoolen genaamd de Beer c.a. te West-Zaandam in de Molenbuurt, gesteld op Fl.3000,-“.

1623

1623/1627

De molen blijft zeer lang binnen de familie Sijbrantsz. Dirk Sijbrantsz deed de Grauwe Beer tussen 1623 en 1627 over aan zijn zoon Heijnderick Dircxsen, die in ieder geval nog in 1635 eigenaar van de molen was.

1623

1604

1604 (1614?)

De Grauwe Beer stond aan in het Westzijderveld te Zaandam (alwaar in de komende decennia het grootste industriegebied van de wereld met 1100 molens tot ontwikkeling zou komen) en was de eerste houtzaagmolen in de lage landen waarvan enkel de kap, en niet de hele molen zoals bij de paltrok het geval is, gekrooien hoefde te worden om de molen op de wind te zetten. Dankzij de uitvinder Cornelis Cornelisz van Uitgeest. Hij bedacht de meervoudige krukas en de manier hoe deze in de molen te plaatsen om aldus meerdere zaagramen in werking te kunnen stellen.

De Grauwe Beer wordt beschouwd als de eerste houtzaagmolen bovenkruier van de Zaanstreek. Toch is de molen iets minder oud dan vaak beweerd wordt. De bouw van de Grauwe Beer vond plaats in 1614 en niet 1604 zoals meestal wordt vermeld. Het was een zwaar uitgevoerde molen bestemd voor het zagen van eveneens zware balken (voor de scheepsbouw?). Op 26 juni 1614 verkreeg de Zaandammer Dirk Sijbrantsz. de windbrief van deze molen uitgereikt. Waar de meeste paltrokken een bedrag van Fl.3,- per jaar aan windgeld moesten betalen, werd Sijbrantsz. aangeslagen voor Fl.6,00 per jaar. Dit laat duidelijk zien dat we te maken hebben met een ander type windmolen. In het “Saanlants Arcadia” uit 1720 van H. Soeteboom, wordt het volgende over de Grauwe Beer en Dirk Sijbrantsz. geschreven: ”Dirck Sijbrantsz. maackten een molen die ongelijck beter was dan die naar de vinding van Cornelis Cornelisz van Uitgeest, gebouwd waren met vier sagen, en vermeerdert tot acht”. Waar nu precies het bouwjaar 1604 vandaan komt is niet duidelijk, mogelijk is het gewoon een keer fout opgeschreven en gekopieerd. Ook komt Dirk Sijbrantsz. niet voor in de transportregisters van voor 1611. De oudste bronnen blijven het jaar 1614 noemen als bouwjaar. Dirk Sijbrantsz was niet trouw van betalen. In 1621 betaalde hij het windgeld voor een periode van 7 jaar, hiermee was een bedrag van 42 ponden gemoeid. Het is niet duidelijk of dit windgeld voor de voorliggende periode was of dat Sijbrantsz het windgeld voor 7 jaar vooruit betaalde. Daarna kent de Grauwe Beer meerdere eigenaren.

Zie ook : https://www.molendatabase.org/molendb.php?step=details&nummer=1737

Bron: Jaarboek 1982, uitgave Heemkunde Vereniging “Maas en Swalmdal” Beesel.